TOP

Lex Jongsma 40 jaar journalist

 

Lex Jongsma

In de zomer werd Lex Jongsma al benoemd tot Lid van Verdienste van de KNSB, maar aanstaande zaterdag wordt hij door de schaakclub Bloemendaal uitgebreid in het zonnetje gezet. Jongsma is deze maand namelijk precies veertig jaar als schaakjournalist verbonden aan de Telegraaf. In een rapidachtkamp op zaterdag 8 december a.s. mag hij het zelf opnemen tegen zeven tegenstanders die hij in zijn leven heeft leren waarderen. De Amerikaan William Lombardy, wereldjeugdkampioen in 1957, is een van de eregasten. Dat Jongsma commentator is bij vele Nederlandse toernooien, weet iedereen. Voor dit artikel heb ik eens uitgezocht hoe sterk hij was als speler en hoe hij de journalistiek is ingerold.

 

Meesternorm

Lex Jongsma (geboren 1 juni 1938) is één van de slechts vier Nederlanders die ooit een medaille wonnen op het wereldjeugdkampioenschap. Hij werd derde in 1957 in Toronto. William Lombardy, die er zoals gezegd zaterdag bij is in Bloemendaal, werd kampioen met een score van 11 uit 11 in de finalegroep. In 1961 plaatste Jongsma zich voor het eerst voor het Nederlands kampioenschap, waar hij gedeeld zevende werd. Dat was meteen zijn hoogste klassering, in 1965 werd hij achtste en in 1970 tiende. Een bijzondere prestatie leverde hij in de meestergroep (wij zouden dat nu B-groep noemen) van het IBM-toernooi, Amsterdam 1967. Jongsma werd gedeeld tweede en boekte een meesternorm, wat in die tijd voor een Nederlander nog een zeldzaamheid was. In zijn voorwoord van een van zijn bundels met schaakrubrieken vertelt hij dat hij op het laatste moment inviel, iedere dag tot bijna twaalf uur zijn werk deed op het belastingkantoor in Rotterdam en met veel kunst- en vliegwerk om één uur (soms iets later) in Amsterdam aan het bord verscheen.

 

Corus commentaar met Sokolov
(Corus commentaar met Ivan Sokolov)

Mooie uitnodigingen

Een meesternorm, dat moest beloond worden. Berry Withuis, die in Nederland veel invloed had op het uitnodigingsbeleid, bepaalde dat Jongsma drie jaar lang uitnodigingen kreeg voor het Hoogovens- en het IBM-toernooi. Jongsma: “Dat kwam eigenlijk hoogst ongelegen. Want schaken? Geen tijd voor. En bovendien... dan had ik een paar jaar vroeger maar wat beter mijn best moeten doen.” Hij was getrouwd, had kleine kinderen en een baan als belastinginspecteur. Bovendien was hij net door Carel van den Berg, topschaker en schaakmedewerker van de Telegraaf, gevraagd om met hem samen te werken, zowel voor de rubriek als de verslaggeving. Dat gebeurde in december 1967, nu dus precies veertig jaar geleden. Het verzoek overviel Jongsma, hij had een enorme bewondering voor de schaker Van den Berg en toen die hem uitnodigde eens te komen praten, was Jongsma ervan overtuigd dat Van den Berg hem om een fiscaal advies zou vragen. Maar die kwam direct met een voorstel voor het Hoogovenstoernooi in 1968. Jongsma zou daar in de meestergroep spelen, maar dat was geen probleem, vond Van den Berg. De partijen duurden van één tot zes, dan werd er afgebroken en dan werd er van acht tot tien voortgezet. In de pauze kon Jongsma dan mooi een artikeltje schrijven en naar de krant doorbellen en Van den Berg zou intussen de eventuele afgebroken partij analyseren en de beste voortzetting naar Jongsma doorbellen. Aldus geschiedde en Jongsma zegt in dat toernooi geen last gehad te hebben van zijn dubbelfunctie.

 

Foute remise

In de zomer van 1968 mocht Jongsma voor het eerst een grootmeestergroep spelen en wel in het IBM-toernooi, als beloning voor zijn mooie resultaat een jaar eerder. Deze keer mocht hij zich helemaal op het schaken concentreren. Het ging niet echt slecht, met remises tegen Bronstein, Ivkov en Ree en een overwinning op Frans Kuijpers, maar dit toernooi noemde Jongsma achteraf zowel zijn debuut als zijn afscheid van het hoogste niveau. Toen hij na de remise tegen Ivkov nog even een paar varianten liet zien waaruit bleek dat hij eigenlijk gewonnen stond, zei Ivkov droog: “Ja, daarom bood ik ook remise aan.” Dat was een cruciaal moment voor Jongsma, die op dat moment besloot schaakschrijver te worden en zijn pogingen om topschaker te worden definitief te laten varen. In 1970 speelde hij in Amsterdam weer in de grootmeestergroep en speelde remise tegen o.a. Gligoric, Donner en Ree, maar Jongsma had zijn keus gemaakt.

 

Dilemma

Dit verhaal komt nog steeds uit het voorwoord van de genoemde bundel. Daarin besluit Jongsma zijn betoog over het dilemma schaker/schrijver als volgt: “Om er acceptabel over te kunnen schrijven moet je schaker zijn en blijven. Dat is één. Maar – en dat is twee – de deelnemer kan niet zijn eigen verslaggever zijn. Je zou kunnen stellen, dat dit toch een verkeerde situatieschets is. Je zou toch kunnen meespelen in toernooi A en twee weken later schrijven over toernooi B. Mij antwoord zou zijn: zo werkt het niet.  Je instelling verandert, je scherpte en concentratie verslappen. De ervaring leert, dat de beroepsschaker die – om welke reden dan ook – zich in de journalistiek stort, zijn eigen schaakcarrière kan vergeten. Natuurlijk, op deze regel zullen uitzonderingen zijn. Duizendpoten bestaan. Maar wie mij wantrouwt, moet de Nederlandse kranten maar eens allemaal tegelijk kopen op zaterdag en zich afvragen, hoe succesvol de schaakmedewerkers (nog) zijn op de toernooivelden.”

 

Fot Maaijveld: Jongsma tijdens Essent commentaar
(Essent commentator)

Ideale journalist

In 1971 overleed Carel van den Berg volkomen onverwacht. Vanaf dat moment nam Jongsma zowel de rubriek als de verslaggeving helemaal op zich, al had dat nog even wat voeten in de aarde. In het onlangs verschenen derde nummer van het tijdschrift Matten onthult Jongsma hoe twee Nederlandse schakers zich bij de sportredactie van de Telegraaf opdrongen met de mededeling dat Jongsma al gezegd had er geen tijd voor te hebben. Die wilde echter maar al te graag en vond dat zijn nieuwe baan van docent belastingrecht aan de Rijksuniversiteit van Leiden daar ook best tijd voor over liet. Jongsma wil niet vertellen over welke twee schakers het ging, maar uit zijn verhaal is duidelijk dat het twee topschakers waren. Als ze dat ook wilden blijven, zouden zij toch niet de juiste mannen op de juiste plaats zijn. De ideale schaakjournalist is zelf uit de arena teruggetreden, maar heeft wel op een dusdanig hoog niveau gespeeld dat hij weet waar hij over praat. Nou was Jongsma weliswaar geen titelhouder (die waren er in de jaren zestig ook niet zo veel), maar als er in die tijd al Nederlandse ranglijsten zouden zijn geweest, zou hij ongeveer tussen de tiende en vijftiende plaats ingeschaald moeten worden.

 

400 KNSB-potjes

KNSB competitie

Dat niveau heeft hij natuurlijk allang niet meer, maar Jongsma spreekt de taal van de topschaker. En die vertaalt hij naar de taal van het publiek. Zijn commentaarsessies zijn fameus, het publiek hangt aan zijn lippen. Daarbij heeft hij in sommige kringen het imago dat hij de plank nogal eens misslaat, een imago dat hem pijn doet, want Jongsma weet ruim voldoende, ook van moderne openingen, om zijn publiek een leerzame middag te bezorgen.

In de KNSB-competitie is hij altijd blijven spelen. Hij begon in 1955 bij Rotterdam, stapte in 1974 over naar VHS (Haarlem) na eerst een jaar bij LSG gespeeld te hebben, ging in 1980 naar Philidor Leiden en speelde de laatste jaren bij Bloemendaal. Dit seizoen heeft hij zowaar een nieuwe stap gezet en speelt met een aantal generatiegenoten bij VAS. Zijn eigen score heeft hij nooit bijgehouden, notatiebiljetten heeft hij niet meer. Vreemd eigenlijk, voor een journalist. Zou Jongsma meer over Jan Timman weten dan over zichzelf? Omdat hij een groot aantal jaren in de hoofdklasse heeft gespeeld en de laatste zeven jaar bij Bloemendaal ook terug te vinden zijn, heb ik met wat aanwijzingen van hem een redelijk nauwkeurige schatting gemaakt. Dit jaar zal Lex Jongsma zijn 400e partij in de KNSB-competitie spelen, een aantal dat eerder werd overschreden door Tom de Ruiter, maar verder door hooguit een handjevol spelers is gehaald.

 

Buitenlandse gasten

In het eretoernooi van zaterdag neemt Lex Jongsma het op tegen zeven spelers die hij in zijn lange schaakleven heeft leren waarderen. Zoals gezegd is William Lombardy een van de eregasten. Niet alleen ontmoette Jongsma hem in 1957, maar ook in 1972 in Reykjavik tijdens de match Fischer-Spassky, waar Lombardy tot de Amerikaanse delegatie behoorde. Jongsma schreef over die match een dagboek waarvan 15.000 exemplaren werden verkocht, een onwaarschijnlijk hoog aantal voor een Nederlandstalig schaakboek. Ook op IJsland ontmoette hij Fridrik Olafsson, de latere president van de FIDE. Hij is zaterdag ook in Bloemendaal, net als Vlastimil Hort, met wie Jongsma vele malen samen commentaar heeft gegeven in Wijk aan Zee. Nederlandse deelnemers zijn Rob Hartoch, Hans Böhm, Eddie Scholl en de Bloemendaal-speler Rob Duijn.

Het toernooi, dat gespeeld wordt in het gemeentehuis in Bloemendaal, zal ongeveer van kwart over tien tot kwart voor vijf duren. Ik kan mij voorstellen dat de uitslag voor Lex Jongsma op die dag niet het belangrijkst is.

 

Johan Hut.