ColumnJe zult maar
schaakjournalist zijn
Schaakjournalistiek
is een zwaar vak. Tijdens toernooien bestaat het middagen lang uit wachten,
hangen, slenteren en bier drinken. In de zaal mag je niet praten en in de
perskamer is niets te beleven. En als de spelers klaar zijn en zelf naar de
bar gaan, dan moet de journalist aan het werk. Vervolgens, zodra je werk is
gepubliceerd, gaan lezers op een internetforum klagen dat het niet deugt.
Thuisgekomen blijkt dan ook nog eens dat de postbode een doosje gratis boeken
heeft gebracht. Die moet je dan recenseren. Weten of vragen?
Soms
zijn schaakjournalisten zelf van meestersterkte en kunnen ze ook nog leuk
schrijven. Soms zijn ze van meestersterkte en kunnen ze
niet leuk schrijven. Soms kunnen ze niet schaken, maar weten ze dat goed te
camoufleren. Eentje kan wel schaken, maar durft niet te analyseren. Een
journalist hoeft niets te weten, als hij maar weet waar hij het kan opzoeken.
Die algemene wijsheid geldt ook voor schaakjournalisten. Bij het
Harmonietoernooi in Groningen liet de organisatie de verslagen voor de
toernooisite schrijven door een leerling-journaliste, Ingrid
Wolfslag. Zij koos ervoor de spelers steeds na afloop te vragen wat er
gebeurd was. Een perfecte methode, maar critici zagen door haar woordkeuze
dat zij zelf niet gewend was om over schaken te praten. Dat was pijnlijk,
maar ik vind dat niet erger dan de journalist die alles weet en dus denkt dat
hij niets aan de spelers hoeft te vragen. Een link paard
Rini Kuijf heeft een paar keer het
voorbeeld aangehaald van een ANP-verslaggever die
tegen Jan Timman zei: “Jouw paard stond wel lang
aan de linkerkant van het bord hè?” Dat is inderdaad erg. Maar ik heb grote
bewondering voor GPD-verslaggever Marc Kok, die tijdens het Corus-toernooi
aan alle groten (Kramnik, Anand,
Timman) vraagt wat er gebeurd is, goed luistert, en
vervolgens een leuk verslag schrijft voor de regionale dagbladen. Richard de Weger (NOS-Teletekst)
doet al decennia lang hetzelfde. Je moet net sterk genoeg zijn om de
grootmeester te begrijpen als hij iets uitlegt, maar daarvoor hoef je zelf
geen meester te zijn. Sterker nog: het begrip van een meester kan de uitleg
aan het publiek wel eens in de weg staan, omdat hij zich niet met het
onbegrip van het publiek kan identificeren. Ik besef dat ik hiermee mijn
eigen straatje schoonveeg, maar de schrijvende meesters die het
tegenovergestelde beweren komen ook alleen maar voor hun boterham op. Recensie?
Goed,
maar ik wilde het eigenlijk even hebben over de
schaduwzijden van het bestaan van een schaakjournalist. Dan staat er dus
opeens zo’n postbode voor de deur. “Dag meneer, pakje!” En daar zitten dan drie gratis
schaakboeken in. Ik ken een uitgever die er altijd een briefje bijdoet met de
opmerking dat hij graag een kopie van mijn recensie ontvangt. Huh, recensie? Hadden wij een afspraak dan? Op dit moment
liggen er drie boeken van uitgeverij Tirion op mijn
bureau. Een daarvan heet ‘Meesterlijke schaaklessen deel 1’ en is geschreven
door Hans Böhm en Herman Grooten.
Het is bedoeld voor volwassenen die schaken willen leren, dus vanaf het leren
van de spelregels. Zulke boeken ken ik nog niet en Böhm
en Grooten is zoiets natuurlijk wel toevertrouwd.
Maar ik heb een beetje het ongemakkelijke gevoel dat ik niet weet wat ik
hiermee aanmoet. Doen de schrijvers het goed? Geen flauw idee, ik kan dat
niet beoordelen en heb geen zin dit boek te bestuderen. Ik ken de spelregels
immers al. Het zal wel. Nou ja, fijn dat dit boek er is, er is een markt voor
en de beginnende schakers zullen niet worden teleurgesteld. Denk ik. Eerste fase
Dan is
er een dik boek van Paul van der Sterren: ‘De wereld van de schaakopening’.
Het gaat over 1.d2-d4 en er volgen meer delen. Van der Sterren komt in het
boek nauwelijks voorbij de tiende zet, dat is ook niet zijn bedoeling. Hij wil
per opening en per variant vertellen wat de bedoeling is, wat de kenmerken
van de stelling zijn, wat voor soort partijen eruit kunnen voorkomen. Er
staan dingen in die je moet weten voordat je begint aan de jaarboeken van New
in Chess of de openingsencyclopedie. Het boek
behandelt dus een fase in de openingsstudie die in andere boeken al bekend
wordt verondersteld. Net als bij het vorige boek denk ik: hier zal behoefte
aan zijn. Misschien is het zelfs een gat in de markt! Maar het zou absurd
zijn als ik nu zou gaan beoordelen of Van der Sterren zijn werk goed heeft
gedaan. Het zal wel. Ongetwijfeld. Uitleggen
Het
derde boek heet ‘Briljant Schaken 2004’ en is geschreven door Jan Timman en – alweer – Hans Böhm.
Het bevat de tien beste partijen en de tien beste studies van 2004. Dat lijkt
weinig, maar wordt gecompenseerd door zeer uitvoerige commentaren. Daarbij
ligt de nadruk niet op lange varianten, maar op uitleg. De schrijvers
vertellen wat er aan de hand is en geven ook een indruk van wat er zich wel eens
in de hoofden van de spelers zou kunnen hebben afgespeeld. Een leuk boek voor
mensen die op hun gemak van schaken willen genieten en daarbij graag op hun
eigen, bescheiden niveau willen worden toegesproken. Het boek is ook echt wel
leuk voor 2400-spelers, maar het is knap dat daarnaast ook spelers van het Elo-niveau 1700 het zullen kunnen volgen. Breed publiek
Daarmee
kom ik weer terug bij mijn inleiding over schaakjournalistiek. Timman en Böhm torenen met hun Elo-ratings natuurlijk ver uit boven het niveau van de
gemiddelde schaakjournalist, maar geven blijk van het besef dat ze hun lezers
een heleboel moeten vertellen en uitleggen. Misschien heeft
Timman Böhm daar wel voor
nodig, of misschien zit er een actieve redacteur bij de uitgever, dat weet ik
niet. Maar het resultaat is heel duidelijk gericht op een breed schakerspubliek. Dat is knap. Daarvoor zijn bekwaamheden
nodig die niets te maken hebben met een IM-titel of
een Elo-rating boven de 2400. Er zijn maar weinig
meesters die die bekwaamheden hebben. Johan Hut |