TOP
Column

 

Je zult maar schaakjournalist zijn

 

Schaakjournalistiek is een zwaar vak. Tijdens toernooien bestaat het middagen lang uit wachten, hangen, slenteren en bier drinken. In de zaal mag je niet praten en in de perskamer is niets te beleven. En als de spelers klaar zijn en zelf naar de bar gaan, dan moet de journalist aan het werk. Vervolgens, zodra je werk is gepubliceerd, gaan lezers op een internetforum klagen dat het niet deugt. Thuisgekomen blijkt dan ook nog eens dat de postbode een doosje gratis boeken heeft gebracht. Die moet je dan recenseren.

 

Weten of vragen?

Foto Monica kKooijman UvA: Hans Ree

Soms zijn schaakjournalisten zelf van meestersterkte en kunnen ze ook nog leuk schrijven. Soms zijn ze van meestersterkte en kunnen ze niet leuk schrijven. Soms kunnen ze niet schaken, maar weten ze dat goed te camoufleren. Eentje kan wel schaken, maar durft niet te analyseren.

Een journalist hoeft niets te weten, als hij maar weet waar hij het kan opzoeken. Die algemene wijsheid geldt ook voor schaakjournalisten. Bij het Harmonietoernooi in Groningen liet de organisatie de verslagen voor de toernooisite schrijven door een leerling-journaliste, Ingrid Wolfslag. Zij koos ervoor de spelers steeds na afloop te vragen wat er gebeurd was. Een perfecte methode, maar critici zagen door haar woordkeuze dat zij zelf niet gewend was om over schaken te praten. Dat was pijnlijk, maar ik vind dat niet erger dan de journalist die alles weet en dus denkt dat hij niets aan de spelers hoeft te vragen.

 

Een link paard

IM Rini Kuijf

Rini Kuijf heeft een paar keer het voorbeeld aangehaald van een ANP-verslaggever die tegen Jan Timman zei: “Jouw paard stond wel lang aan de linkerkant van het bord hè?” Dat is inderdaad erg. Maar ik heb grote bewondering voor GPD-verslaggever Marc Kok, die tijdens het Corus-toernooi aan alle groten (Kramnik, Anand, Timman) vraagt wat er gebeurd is, goed luistert, en vervolgens een leuk verslag schrijft voor de regionale dagbladen. Richard de Weger (NOS-Teletekst) doet al decennia lang hetzelfde. Je moet net sterk genoeg zijn om de grootmeester te begrijpen als hij iets uitlegt, maar daarvoor hoef je zelf geen meester te zijn. Sterker nog: het begrip van een meester kan de uitleg aan het publiek wel eens in de weg staan, omdat hij zich niet met het onbegrip van het publiek kan identificeren. Ik besef dat ik hiermee mijn eigen straatje schoonveeg, maar de schrijvende meesters die het tegenovergestelde beweren komen ook alleen maar voor hun boterham op.

 

Recensie?

Goed, maar ik wilde het eigenlijk even hebben over de schaduwzijden van het bestaan van een schaakjournalist. Dan staat er dus opeens zo’n postbode voor de deur. “Dag meneer, pakje!” En daar zitten dan drie gratis schaakboeken in. Ik ken een uitgever die er altijd een briefje bijdoet met de opmerking dat hij graag een kopie van mijn recensie ontvangt. Huh, recensie? Hadden wij een afspraak dan? Op dit moment liggen er drie boeken van uitgeverij Tirion op mijn bureau. Een daarvan heet ‘Meesterlijke schaaklessen deel 1’ en is geschreven door Hans Böhm en Herman Grooten. Het is bedoeld voor volwassenen die schaken willen leren, dus vanaf het leren van de spelregels. Zulke boeken ken ik nog niet en Böhm en Grooten is zoiets natuurlijk wel toevertrouwd. Maar ik heb een beetje het ongemakkelijke gevoel dat ik niet weet wat ik hiermee aanmoet. Doen de schrijvers het goed? Geen flauw idee, ik kan dat niet beoordelen en heb geen zin dit boek te bestuderen. Ik ken de spelregels immers al. Het zal wel. Nou ja, fijn dat dit boek er is, er is een markt voor en de beginnende schakers zullen niet worden teleurgesteld. Denk ik.

 

Eerste fase

Dan is er een dik boek van Paul van der Sterren: ‘De wereld van de schaakopening’. Het gaat over 1.d2-d4 en er volgen meer delen. Van der Sterren komt in het boek nauwelijks voorbij de tiende zet, dat is ook niet zijn bedoeling. Hij wil per opening en per variant vertellen wat de bedoeling is, wat de kenmerken van de stelling zijn, wat voor soort partijen eruit kunnen voorkomen. Er staan dingen in die je moet weten voordat je begint aan de jaarboeken van New in Chess of de openingsencyclopedie. Het boek behandelt dus een fase in de openingsstudie die in andere boeken al bekend wordt verondersteld. Net als bij het vorige boek denk ik: hier zal behoefte aan zijn. Misschien is het zelfs een gat in de markt! Maar het zou absurd zijn als ik nu zou gaan beoordelen of Van der Sterren zijn werk goed heeft gedaan. Het zal wel. Ongetwijfeld.

 

Uitleggen

Het derde boek heet ‘Briljant Schaken 2004’ en is geschreven door Jan Timman en – alweer – Hans Böhm. Het bevat de tien beste partijen en de tien beste studies van 2004. Dat lijkt weinig, maar wordt gecompenseerd door zeer uitvoerige commentaren. Daarbij ligt de nadruk niet op lange varianten, maar op uitleg. De schrijvers vertellen wat er aan de hand is en geven ook een indruk van wat er zich wel eens in de hoofden van de spelers zou kunnen hebben afgespeeld. Een leuk boek voor mensen die op hun gemak van schaken willen genieten en daarbij graag op hun eigen, bescheiden niveau willen worden toegesproken. Het boek is ook echt wel leuk voor 2400-spelers, maar het is knap dat daarnaast ook spelers van het Elo-niveau 1700 het zullen kunnen volgen.

 

Breed publiek

Daarmee kom ik weer terug bij mijn inleiding over schaakjournalistiek. Timman en Böhm torenen met hun Elo-ratings natuurlijk ver uit boven het niveau van de gemiddelde schaakjournalist, maar geven blijk van het besef dat ze hun lezers een heleboel moeten vertellen en uitleggen. Misschien heeft Timman Böhm daar wel voor nodig, of misschien zit er een actieve redacteur bij de uitgever, dat weet ik niet. Maar het resultaat is heel duidelijk gericht op een breed schakerspubliek. Dat is knap. Daarvoor zijn bekwaamheden nodig die niets te maken hebben met een IM-titel of een Elo-rating boven de 2400. Er zijn maar weinig meesters die die bekwaamheden hebben.

 

Johan Hut